Dutch Bulgarian Chinese (Simplified) Czech English Estonian French German Italian Russian Spanish Turkish Ukrainian

Onderzoek

Logo OKBI

De gemeente van toen en nu als laboratorium voor theologie

Empirisch onderzoek

Empirisch onderzoek

Het in kaart brengen van ‘modes of binding and bonding’ onder baptisten. Dit is de eerste lijn en de meest fundamentele lijn. Daarbij wordt ook de vinger gelegd bij de spanning tussen de gegeven morele ruimte en het collectivistische ideaal van baptisten (cf. ‘thick & thin community’).
Historisch onderzoek

Historisch onderzoek

Ecclesiologie is theologisch het meest onderscheidende voor baptisten. Onderzoeksvelden als congregationalisme, doop, ambt, ‘discerning the mind of Christ’ en conciliarisme kunnen worden aangewezen. Hierin past ook onderzoek naar het zogeheten Constantinisme, de kwestie kerk en overheid.
Theologisch onderzoek

Theologisch onderzoek

In deze onderzoekslijn gaat de aandacht naar processen van inleiden en doorleiden in geloof. We denken daarbij aan spiritualiteit, geloofsopbouw, gemeenteopbouw, leiderschap, leren van Schrift en Vroege Kerk (God, Christus, de Geest en leven).

Voorbeschouwing voor gidsvragen

Hans Riphagen

Ik bekijk in mijn onderzoek hoe Protestantse gelovigen betrokken zijn op de wijk waarin ze wonen, en hoe en in hoeverre geloof daar een rol in speelt. In de afgelopen tijd ben ik vooral bezig geweest om een conceptueel kader te beschrijven die me helpt om naar de praktijk te kijken. Ik doe dat aan de hand van het begrip ‘religious place-making’  dat ik bekijk vanuit het geleefde geloof en de verhalen van mensen. 

Ik beweeg me daarin op het boeiende terrein van de Praktische Theologie, die er naar zoekt theologie te beoefenen in de complexe werkelijkheid. Eén van de grootste uitdagingen die binnen de Praktische Theologie ligt is hoe theologisch te kunnen spreken over de empirische werkelijkheid, maar tegelijkertijd dat niet idealistisch te doen, maar juist in verbinding en zorgvuldige aandacht voor het geleefde geloof. 

Kijkend naar de Unie van Baptistengemeenten, zou ik de volgende uitdagingen willen formuleren:

1. Het Baptistenseminarium vernieuwt momenteel haar curriculum waarbij theologisch de Missio Dei als uitgangspunt wordt gekozen. Gepoogd wordt het curriculum missionair te doordrenken. Het seminarium is daarin sterk historisch en systematisch theologisch georiënteerd en wellicht is dat terecht voor een instituut dat drager van een traditie wil zijn. De uitdaging voor het seminarium ligt denk ik vooral op het gebied van de Praktische Theologie; Hoe kan de traditie en die enorme schat aan historische kennis verbonden worden aan de concrete praktijk? En andersom misschien nog wel belangrijker: Hoe kunnen we voorgangers en gemeenteleden helpen om theologisch te kijken naar de praktijk in kerk en wereld? En dat zonder de makkelijke route van idealen te kiezen? Kortom: Wat voor soort praktische theologie is nodig op het seminarium in de komende jaren?

2. Meer naar mijn eigen onderzoek: Place-making gaat over ruimte die moreel geladen is (morele ruimte). Een observatie die ik doe in mijn onderzoek is hoe de Protestantse christenen in de wijk waar ik mijn onderzoek doe veelal en soms zelfs uitsluitend contact hebben met medegelovigen. Een prangende en actuele vraag, zowel cultureel als ook missionair is de vraag naar de (culturele) ander.  Dat is een vraag waar ik een aantal van mijn respondenten over heb horen spreken, veelal vanuit een ervaring van falen. Simpel geformuleerd richting onze geloofsgemeenschap: Hoe komen we als Baptisten meer tussen de mensen? Kunnen we bruggen bouwen? Kunnen we relevante relaties aangaan met mensen die anders zijn?

3. Tot slot: veel Baptistengemeenten zijn vrijwel uitsluitend regiogemeenten. Dat roept missionair meer en meer de vraag op naar het waar van een gemeente. De missionaire beweging stuwt ons terecht in de richting van woorden als presentie, incarnatie, en veronderstelt vaak een lokale betrokkenheid. We zien dat terug in o.a. de nieuwe pioniersinitiatieven die opkomen of de ‘fresh expressions’ vanuit bestaande kerken. Vaak is de lokale binding dan duidelijk zichtbaar – de kerk is ergens. Hoewel ik me kan voorstellen dat er legitimiteit bestaat voor gemeenten die niet lokaal verbonden zijn (bijv. in het geval van internationale kerken of kerken met een sterk doelgroep karakter), denk ik dat wel een steeds belangrijkere en ook gevoelde vraag wordt voor de gemiddelde Baptisten-regio-gemeente: Is missionaire presentie voor ons wel mogelijk? Waar zijn wij kerk?

De laatste update van het onderzoek van Hans vindt u hier.

Teun van der Leer

Vanuit mijn onderzoek en m.n. naar aanleiding van de door mij bezochte conferentie in juni 2016, komen de volgende vragen voor de kerken in Nederland in het algemeen en de baptistengemeenten in Nederland in het bijzonder naar boven:
1. Waar liggen de kernen van onze identiteit die mee dienen te blijven resoneren in het debat over de kerk (van de toekomst)?
2. Wat vraagt een serieus nemen van de katholiciteit en de opdracht tot eenheid van ons als kerk(en) in de komende jaren, zowel v.w.b. geloofsinhoud als kerkorde en praktijken?

De laatste update van het onderzoek van Teun vindt u hier.

Yme Horjus

Accountability tussen gelovigen onderling

Op zoek naar draagvlak voor de tucht in de gemeente van Christus

In het empirische deel van mijn onderzoek naar een nieuw draagvlak voor de tucht in de kerk van de 21e eeuw is mij gebleken dat het verleden een grote slagschaduw werpt op het heden. Herinneringen van mensen aan situaties waarin stelletjes, die moesten trouwen, met de tucht te maken kregen, doen mensen nog steeds huiveren voor de tucht. Mijn ervaring is dat de afkeer tegen dit soort casuïstische benaderingen van de tucht stevig wordt neergezet. Je krijgt als onderzoeker de indruk dat die situaties worden uitvergroot om duidelijk te maken dat zoiets vandaag niet meer zou mogen voorkomen. Tegelijkertijd wordt uit de kwalitatieve gegevens duidelijk dat velen ook niet een situatie voor ogen staat van volstrekte vrijblijvendheid waarbij ieder doet wat goed is in eigen oog.

Op mijn vraag of de tucht weer opnieuw zou kunnen functioneren en op welke wijze is er een grote openheid te bespeuren naar een vorm die het dichtste aansluit bij het begin van het bekende gedeelte over de tucht in Matthéüs 18:15-18. Daar lezen we de woorden van de Heer Jezus: ‘Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen…’ Er is grote voorkeur voor een meer bottom-up benadering dan de formalistisch zakelijke benadering waarbij een kerkenraad mensen ter verantwoording roept. Die kerkenraad komt in de woorden van Jezus overigens helemaal niet in beeld. ‘Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en tollenaar’(Matth. 18:17). Respondenten legden een opmerkelijke gevoeligheid aan de dag voor de mutualiteit of de reciprociteit die bij de tucht opnieuw weer actueel zou kunnen zijn.

In de wereld van de bedrijfskunde kennen we het verschijnsel van het verantwoording afleggen aan leidinggevenden en collega’s. Dat wordt met een Engels woord ook wel accountability genoemd. Dan moet je openheid van zaken geven. Over het bestuurlijke handelen en de persoonlijke integriteit daarin.

In toenemende mate zie je dit begrip ook opduiken in de christelijke wereld. Dan wordt het vaak gebruikt voor christelijke leiders binnen de evangelische wereld die de bereidheid moeten hebben om anderen te laten inspreken op hun handelen. Het is een uitnodiging aan die leiders om uit hun ivoren toren te komen en feedback te ontvangen. Dat gaat verder dan alleen hun doen en laten. Ook hun zwakheden en karakterfouten zijn onderdeel van de toetsing die zij van collega’s of vertrouwde mensen ondergaan. Vooral in gemeenten waar het leiderschap sterk ontwikkeld is, kan dit alleen maar heilzaam werken voor het gezonde functioneren van de gemeente.
Ik zou op basis van mijn onderzoek tot dusverre een pleitbezorger willen zijn voor accountability tussen gewone leden van de gemeente. Dat gelovigen elkaar durven bevragen en aanspreken op de navolging van Christus. Dat is niet zo vanzelfsprekend in onze tijd. We hebben het onder invloed van het postmodernisme afgeleerd om kritisch te zijn op de gestalte die andere gelovigen binnen de gemeente aan hun christen-zijn geven. We kijken liever een andere kant op dan dat we elkaar zouden bevragen. Nee, accountability is vandaag de dag niet de gewoonste zaak van de wereld. Maar hoe waardevol kan het zijn, als we dit wèl zouden doen.

Als ik mij niet vergis heeft er in het laatste decennium een cultuuromslag plaatsgevonden. Maatschappelijk gezien is het wegkijken bij wat anderen doen uit de gratie geraakt. Mensen mogen weer op hun gedrag worden aangesproken! In de bankenwereld zijn bijvoorbeeld integriteitscodes afgesproken waaraan alle bankmedewerkers zijn gehouden. Kerken hoeven dan ook niet meer schuchter of bang te zijn. Er was zo langzamerhand een grote terughoudendheid ontstaan om het over zonde en ongerechtigheid te hebben. Daar kon je niet meer mee aankomen! Mijn respondenten noemden vaak het voorbeeld van de opvoeding van kinderen. Daarin wordt kinderen ruimte geboden, maar ook grenzen gesteld, die ook gehandhaafd moeten worden.

Nu is in de samenleving een omslag gekomen en bij een dergelijk kenterend getij moet de kerk zich aangemoedigd voelen om uit haar schulp te kruipen en met kracht weer het onderscheid tussen goed en kwaad vanuit een normatief (dat wil zeggen: Bijbels) referentiekader aan de orde te stellen. Op zich is het kwalijk, maar wel begrijpelijk, dat de kerk zich zo in een hoek heeft laten drukken en zich monddood heeft laten maken. Misschien valt haar een verwijt te maken dat zij haar knieën niet wat rechter heeft gehouden, want zij zelf is meegegaan in een ontwikkeling die men met het woord gedogen het beste kan omschrijven. De gedoogcultuur van het postmodernisme lijkt nu meer plaats te maken voor een nieuwe openheid voor handhaving. De samenleving snakt naar andere tijden en de kerk mag van dit ‘momentum’ profiteren door met kracht de duidelijke boodschap van het evangelie van Jezus Christus te verkondigen en op de bres te staan voor het onderscheid tussen goed en kwaad. Dus zou het goed zijn dat er weer oog komt voor de mogelijkheid om elkaar te bevragen of we nog op de weg van de Heer zijn. Niet ieder zijn eigen waarheid, maar een wederzijdse toetsing of onze waarheden nog wel sporen met de waarheid van Jezus!

Dus laten we alle schroom van ons afwerpen en laten we accountable zijn naar elkaar. Misschien moeten we daar weer wat aan wennen. We hebben zoveel jaren achter ons waarin dit not done was. Maar wat kan het goed zijn als we deze durf weer aan de dag gaan leggen. Niet uit bemoei- of bedilzucht, maar uit oprechte zorg voor de geestelijke groei van onze broeder of zuster in de Heer. In het Nieuwe Testament vinden wij een aantal ‘elkaar’-woorden die wij dikwijls graag gebruiken om onze visie op de gemeente duidelijk te maken. Wij zien de gemeente niet als een zak met knikkers, - een gemeente als los zand -, maar als een tros met druiven, waarin wij verbondenheid ervaren met elkaar en verantwoordelijkheid dragen voor elkaar. Daarom appelleren die ‘elkaar’-woorden altijd aan ons gemeentebesef: naar elkaar omzien, elkaar aanvaarden, elkaar liefhebben, elkaar vergeven, elkaar bemoedigen, elkaar vertroosten, elkaar opbouwen en elkaar aanvuren.

De gemeente is samengeroepen uit de wereld om een heilige natie te zijn, een koninklijk priesterschap, een uitverkoren geslacht, zeggen wij Petrus na. Wij trekken met elkaar op, vormen een gemeenschap, horen bij elkaar. In dit artikel vraag ik aandacht voor een 'elkaar'-woord uit het Nieuwe Testament, dat vele gelovigen in de afgelopen zestig jaar problemen heeft opgeleverd: elkaar terechtwijzen. Ten opzichte van de andere 'elkaar'-woorden loopt dit er een beetje tussenuit. In het totale rijtje van alle ‘elkaar’-woorden in het Nieuwe Testament werkt dit als een dissonant. Bij de andere 'elkaar'-woorden wordt het warm om ons hart en zeggen we van harte ja en amen, maar bij dit 'elkaar'-woord krijgen we een beetje een kromme-tenen-gevoel. Het is wel hachelijk, maar toch kunnen we niet om dit 'elkaar'-woord heen. Het-elkaar-terechtwijzen is iets dat veel in het Nieuwe Testament voorkomt. Vanaf het eerste begin van de gemeente had dit een plek in het gezonde functioneren van de gemeente. Zo zegt Paulus in Col. 3:16 over het samenkomen als gemeente: 'Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten.'
De hoogste vorm van accountability brengen wij op door de bereidheid te tonen tot het ontvangen van vermaning en terechtwijzing. Sommige mensen vragen zich misschien af welk belang er nu mee gediend is om elkaar in de gemeente te vermanen en terecht te wijzen. Waarom laten we elkaar niet gewoon met rust en laten we ieder in z'n waarde? Waarom moeten we zo nodig elkaar terechtwijzen? Kort gezegd komt het hierop neer: als er zonde in ons leven is, vormt die een blokkade in onze geloofsgroei. En omwille van deze geloofsgroei, moeten wij elkaar op die zonde aanspreken. Accountability helpt daarbij geweldig! In aansluiting op de eerste woorden van Jezus in Matthéüs 18:15 (‘Indien uw broeder zondigt…’) brengt het ons vanuit het wederzijdse wegkijken naar een nieuwe vorm van wederzijdse transparantie waarbij ieder aanspreekbaar is op zijn of haar navolging van Christus. Discipelschap heeft binnen de gemeente van Christus ook met mutualiteit of reciprociteit te maken.

De laatste update van het onderzoek van Yme vindt u hier.

Kirsten Timmer-Groeneweg

Vanuit mijn promotieonderzoek mag ik een bijdrage leveren aan de OKBI bijeenkomst op 14 oktober 2016. De voorlopige titel van mijn onderzoek luidt: An examination of Baptist origins in the context of Baptist and Mennonite relationships in the early seventeenth-century Dutch Republic. Dit onderzoek is nodig, omdat geschiedkundigen in het verleden niet over alle primaire bronnen beschikten, die nu beschikbaar zijn. Ook waren niet alle geschiedkundigen de Nederlandse taal machtig waardoor hun conclusies soms inzichten misten, die de Nederlandstalige primaire bronnen aanreiken. Met dit onderzoek gebaseerd op de oorspronkelijke bronnen hoop ik het ontstaan van de baptisten duidelijker te maken. Daarnaast biedt het onderzoek een beeld van de baptisten als groep naast de mennonieten en (in beperktere mate) de hervormden in het begin van de Gouden Eeuw.

In hoofdstuk 1 heb ik uiteengezet hoe de Waterlander doopsgezinden (een tak van de Nederlandse mennonieten) zijn ontstaan en dat voor hen het begrip ‘consensus’ in theologie en praktijk van zeer groot belang was. De notie van consensus komt terug in hoofdstuk 2, waarin ik veel aandacht besteed aan de contacten tussen de baptisten en de Waterlander doopsgezinden. De primaire bronnen geven een veelzijdig beeld van hun relatie, overwegingen, overeenkomsten en verschillen.

Dit tweede hoofdstuk is actueel in het licht van de wens van de Unie van Baptistengemeenten Nederland en de ABC Gemeenten om samen verder te gaan. De huidige situatie loopt uiteraard niet geheel parallel aan de gebeurtenissen aan het begin van de zeventiende eeuw. Belangrijke verschillen zijn minimaal drievoudig. Ten eerste, toen ging het om een verzoek door de baptisten om door de Waterlander doopsgezinden erkend te worden als ware kerk en door hen opgenomen te worden; nu gaat het om het samengaan van twee zelfstandige kerkgenootschappen. Ten tweede, toen ging het om anabaptisten, die een lange periode van vervolging hadden doorstaan en net in iets rustiger vaarwater terecht waren gekomen; nu gaat het om twee volledig erkende kerkgenootschappen in Nederland (en daarbuiten). Ten derde, toen ging het om twee groepen, die elkaars taal niet spraken (enkelen in beide groepen beheersten het Latijn; documenten werden van het Nederlands en Engels naar het Latijn vertaald en dan vertaald naar het Engels en Nederlands); nu gaat het om twee in essentie Nederlandstalige kerkgenootschappen. Het voordeel van communicatie in een gemeenschappelijke taal mag niet onderschat worden.

Met deze vaststellingen in gedachten, kunnen we ons nu richten op mogelijke overeenkomsten tussen de twee situaties. In het kader van het thema van deze OKBI bijeenkomst geef ik er twee. Ten eerste, zowel toen als nu wordt overleg gevoerd met de achterban/met de plaatselijke gemeenten. De Bevredigde Broederschap, waarbinnen de Waterlander doopsgezinden waren verenigd met andere doopsgezinden, hield consensus hoog in het vaandel. Na lange discussies ontraadden verschillende gemeenten de Waterlander doopsgezinden in Amsterdam om de baptisten te erkennen en op te nemen in hun gemeenschap. De gemeente in Amsterdam talmde nog enkele jaren, maar nam uiteindelijk toch de baptisten op in haar midden. Dit besluit, gekoppeld aan andere factoren, leidde tot de ontbinding van de Bevredigde Broederschap. Ook binnen de groep baptisten in die tijd was er al tweedracht over het verzoek om erkend en toegelaten te worden door de Waterlander doopsgezinde gemeente. Terwijl John Smyth en het merendeel van de groep baptisten voorstander was van het verzoek om acceptatie en toelating, vond Thomas Helwys samen met een minderheid van de groep dat de baptisten hiermee hun theologische basis principes aan de kant schoven ten koste van erkenning door de Waterlander doopsgezinden als ware kerk. Helwys c.s. waren er al van overtuigd dat zij een ware kerk vormden. Smyth en Helwys gingen uit elkaar; Helwys en zijn groep keerden in 1612 terug naar Engeland en stichtten daar onder grote geloofsvervolging de eerste baptisten gemeente in Engeland. De Unie en de ABC Gemeenten hebben ook overleg gevoerd met de plaatselijke gemeenten over het gewenste samengaan. Hierbij hebben we aan beide zijden gezien dat vertegenwoordigers van de gemeenten kritische vragen hebben gesteld. Kritische vragen helpen het proces, omdat zo punten belicht worden, die wellicht anders onderbelicht waren gebleven (niet uit onwil, maar door de bekende blinde vlek). Na enkele jaren is er aan beide kanten nog geen interne consensus bereikt m.b.t. specifieke punten over het samengaan. Wel is van beide kanten door een meerderheid ingestemd met het voortzetten van het proces van samengaan. Enkele kritische, met elkaar verband houdende, vragen in het licht van deze overeenkomst: Hebben de Unie en de ABC Gemeenten overwogen wat er kan gebeuren als er gemeenten zijn die uiteindelijk niet mee willen gaan in het samengaan? Behoort een breuk binnen de Unie, zoals tussen Smyth en Helwys, dan tot de mogelijkheden? Is er al goed nagedacht over welke mogelijke offers die we als Unie bereid zijn te brengen voor dit samengaan? Of stellen we het gesprek hierover uit tot het moment dat het zover is met de gedachte dat als dat moment van een offer (in welke vorm dan ook) niet komt, dan het gesprek ook niet hoeft plaats te vinden?

De tweede overeenkomst in beide processen is het opstellen en gebruik van geloofsbelijdenissen. De Waterlander doopsgezinden en de baptisten stelden beide een geloofsbelijdenis op om hun theologische posities aan te geven. Deze belijdenissen vormden het uitgangspunt voor hun verdere gesprekken over erkenning en opname. Opvallend is dat deze geloofsbelijdenissen ook uitingen van de tijd waren. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de doopsgezinde pacifistische omschrijving over het al dan niet uitoefenen van een overheidsambt en het gebruik van wapens. Evenzo heersten er in die tijd verschillende Christologische opvattingen. De Waterlander doopsgezinden stelden deze ruim op, zodat zowel zij met een orthodoxe visie als zij met een Melchioritische visie toch samen kerk konden zijn. De geloofsbelijdenissen bestreken bij lange na niet het gehele theologische spectrum. In algemene zin mag gesteld worden dat voor baptisten door de eeuwen heen een geloofsbelijdenis descriptief, nooit prescriptief, is geweest. Ook werden geloofsbelijdenissen vaak geformuleerd om andere christelijke groepen te laten weten waar baptisten voor stonden. Door de eeuwen heen zien we dat de nadruk op theologische onderwerpen verschuift: de actuele onderwerpen krijgen vaak meer aandacht in de geloofsbelijdenissen; een aantal decennia later wordt een ander actueel onderwerp benadrukt. Ook de Unie en de ABC Gemeenten hebben een geloofsbelijdenis opgesteld. Ook hier zagen we dat niet alle theologische onderwerpen aan bod kwamen. Sommige theologische beschrijvingen waren specifiek en lieten daardoor geen/weinig ruimte voor andere opvattingen over die onderwerpen. Het eerste voorstel voor de geloofsbelijdenis, dat aan de plaatselijke gemeenten gepresenteerd werd, bevatte ook een ethisch aanhangsel. Uit de bewoordingen werd duidelijk dat het hier om een prescriptief deel ging waarop gemeenten elkaar mochten bevragen. Uiteindelijk heeft de AV van de Unie besloten deze appendix te verwijderen om verder te kunnen in het proces van samengaan. Ook de geloofsbelijdenis wordt opnieuw bestudeerd en zo nodig herschreven, zodat het de instemming zal krijgen van meer plaatselijke gemeenten. Op de volgende AV zal het samengaan ongetwijfeld weer op de agenda staan. Een kritische vraag aan de Unie: In hoeverre is er goede studie gedaan naar de status van de geloofsbelijdenis in de geschiedenis van de baptisten wereldwijd en in Nederland in het bijzonder? Hoe komt de positie overeen of hoe verschilt deze met de positie die de geloofsbelijdenis in het samengaan tussen de Unie en ABC Gemeenten mag/moet innemen?

De vraag naar de functie van de geloofsbelijdenis voor baptisten is al ter sprake gekomen in gesprekken over het samengaan. Desondanks is het m.i. toch goed om deze vraag opnieuw te stellen juist in de OKBI setting en gezamenlijk de mogelijke antwoorden te verkennen.
Het is mijn wens dat we als Unie van Baptistengemeenten Nederland door het zorgvuldig bestuderen en bespreken van bovenstaande (en andere) vragen tot een algehele consensus komen m.b.t. het samengaan met de ABC Gemeenten; een samengaan waarbij plaatselijke gemeenten eenheid met het nieuwe orgaan ervaren en tegelijkertijd voldoende vrijheid ervaren om recht te doen aan het baptistische principe van autonomie van de plaatselijke gemeente.

De laatste update van het onderzoek van Kirsten vindt u hier.

Daniël Drost

Quo vadis, Domine?

Context
Stuart Murray beschreef in 2004 al dat onze cultuur in een post-Christendom fase was aanbeland. De aanwezigheid van de kerk in cultuur, politiek en het publieke domein werd steeds minder vanzelfsprekend. Christelijke waarden en verhalen zijn niet langer bekend. Dat betekent een aantal stappen voorbij de vanzelfsprekendheid voor de kerk in West-Europa. Het proces dat Murray beschreef gaat nog steeds verder. Tegelijkertijd staat religie weer volop op de agenda, m.n. door de Islam. Ook valt de term post-secular regelmatig: de Entmythologisierung van de werkelijkheid heeft zijn maximum bereikt en er ontstaat weer een zekere betovering: ‘er is meer dan we kunnen zien’.
De wereld staat in brand: onrust en oorlog in het Midden Oosten, opkomst van IS en andere Jihadistische organisaties, de twintigste -eeuwse strijd tussen Oost (Rusland) en West (VS, Europa) lijkt weer op te laaien, Turkije heeft Ottomaanse aspiraties, China komt op als wereldmacht, christenvervolging komt steeds meer deze kant op. Kortom, veel veranderingen. Onder andere deze veranderingen hebben geleid tot ‘a culture of fear’.

Vragen
Ik denk dat de theologische agenda van Stanley Hauerwas essentieel is voor ons als christenen in Nederland. Zijn werk levert o.a. de volgende vragen op:
- Hoe kunnen we als kerken gemeenschappen van discipelen zijn, waarin onze identiteit en cultuur ten diepste bepaald worden door het evangelie?
- Hoe kunnen we het evangelie belichamen in ‘a culture of fear’?
- Hoe vinden we een weg in de nieuwe (post-christendom) situatie? Hoe zijn we kerk zonder claims op politieke macht of invloed?
- Kunnen we ‘lijden omwille van het koninkrijk’ weer een essentieel onderdeel maken van onze spiritualiteit?
Dit zijn vragen voor de kerk in de breedste zin van het woord. In baptistenkring staan, denk ik, de volgende vragen op de agenda:
- Hoe kunnen we, levend vanuit een free church / congregationalistische overtuiging, de kerk in (post-Christendom) Nederland dienen met onze ecclesiologie?
- Hoe komen we voorbij de rouw (alles wordt minder, Ps. 137) tot het omarmen van een roeping, juist in de verstrooiing (Jer. 29:1-10)?
- Hoe kunnen we deze diaspora ecclesiologie uitleven? Hoe kunnen we als bestaande gemeentes onze gemeenteleden toerusten om christen te zijn op plekken waar weinig christelijke presentie is? Hoe kunnen we als bestaande gemeentes het stichten van nieuwe gemeentes/ missionaire initiatieven stimuleren?
- Waar vinden we bondgenoten? (de vraag naar oecumene)

Voor een aantal kerken/ gemeenschappen staan deze vragen al een paar jaar op de agenda, voor anderen worden ze er nu pas op gezet. Al deze vragen zijn theologische vragen.

De laatste update van het onderzoek van Daniël vindt u hier.

OKBI Leden

Hans Riphagen

Hans Riphagen

Henk Bakker

Henk Bakker

Arjen Stellingwerf

Arjen Stellingwerf

Stefan Paas

Stefan Paas

Teun van der Leer

Teun van der Leer

Teus van de Lagemaat

Teus van de Lagemaat

Miranda Klaver

Miranda Klaver

Eduard Groen

Eduard Groen

Jack Barentsen

Jack Barentsen

Christa Anbeek

Christa Anbeek