Halloween: Dood, waar is uw prikkel?

Halloween: Dood, waar is uw prikkel?

Morgen is het Hervormingsdag of… Halloween; ik vind het altijd grappig dat deze dagen samenvallen. Zo van: kies dan heden wat gij vieren wilt. Onder christenen wordt Halloween echter snel geassocieerd met morbide sentimenten en zelfs demonische praktijken.

Zo kopte het RD vandaag reeds weer: „Halloween geen onschuldige flirt met de dood.”[1] Wat is dat ongemak met Halloween? Het is overigens opmerkelijk dat onder conservatieve christenen in de VS deze afkeer van Halloween minder sterk is.[2] Natuurlijk er zijn theorieën rond de oorsprong in Keltisch occultisme; deze zijn echter historisch nauwelijks houdbaar.[3] Overigens geldt hetzelfde voor meer feesten in de christelijke kalender. De naamgeving zelf—zoals je vast weet—heeft een christelijke oorsprong en is een verbastering van ‘All Hallows Eve,’ oftewel de avond voorafgaand aan Allerheiligen en Allerzielen. De dagen waarop de heiligen, de martelaren, en alle doden worden herdacht; in veel van de ons omringende landen nog steeds een feestdag. Wij hebben geen moment waarop we onze doden herdenken, waarop we ons bezinnen op ‘wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn’ (Ps. 103:14). In veel van de psalmen klinken soortgelijke reflecties op de vluchtigheid en de kwetsbaarheid van ons bestaan (vgl. Psalm 8; 90; 144). Een bezinning die wij—voor het gemak protestanten—veelal kwijt zijn.

Vorige week las ik—zonder voorbedachte rade overigens—twee boeken over de dood. Eerst de autobiografische roman van Esther Maria Magnis, Mintijteer. Hierin beschrijft zij haar eigen leven in het licht van de vroegtijdige dood van haar vader aan kanker toen zijzelf nog een tiener was. Wat volgt is een intense worsteling met God; na een tevergeefs bidden voor genezing, volgt stilte en afkeer van God. De harde confrontatie met de dood maakt Gods aanwezigheid onhoudbaar en onleefbaar voor haar. Later in de week las ik het recente boek van de Amerikaanse gereformeerde theoloog Todd Billings, The End of the Christian Life. Zelf sinds 2012 ongeneeslijk kankerpatiënt weet hij wat het is om met de realiteit van de dood te leven. Tegelijk zo stelt hij vast zijn christenen net als de hele Westerse wereld in de ban van de angst voor de dood. Met als gevolg dat we de dood als gespreksonderwerp, als zichtbare realiteit van een begraafplaats, crematoria het liefst zo ver mogelijk buiten ons, buiten onze ‘bebouwde kom’ houden. Of we leuken het op: bontgekleurde kisten, cremaclowns, en show en spektakel. Veel mensen die ernstig ziek worden, verhalen van vrienden die ineens niet meer van zich laten horen. We worden niet graag geconfronteerd met de ‘wond van onze sterfelijkheid’ schrijft Billings.[4] Stiekem leven we allemaal met de verwachting dat we 80 of 90 worden. Bij niemand ‘past’ een vroegtijdige dood, of een ziekbed, net zo min als dat een corona-virus een welvarend land als de onze in de tang zou moeten hebben: dat zou tegenwoordig toch niet meer hoeven? Billings is daarom kritisch naar de kerk zelf. Hoewel de meeste christenen niet formeel een welvaartsevangelie aanhangen, merkt hij op dat in onze omgang met de dood, met lijden en ziekte, hoezeer het ons bevangen heeft: het enige dat we kunnen is bidden om herstel en genezing. We zijn de ‘kunst van het sterven’, de ars moriendi, totaal uit het oog verloren. De ars moriendi is een bezinning op onze lichamelijkheid, op onze beperktheid, op onze zwakke bestaan met lichamen die afbreken. Het is een leren bewust te worden wat het betekent om geen controle te hebben over wat ons in dit leven overvalt. Zoals Psalm 90 het zo mooi verwoordt: ‘Leer ons zó onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.’

Afgelopen december overleed mijn schoonvader op 61-jarige leeftijd. Hij lag thuis opgebaard en mijn kinderen in de basisschoolleeftijd vroegen of ze hem mochten zien. Hoewel we toen even aarzelden, ben ik blij dat we hen de dood van hun opa hebben laten zien. Dat wij naast hen hebben gestaan, hun vragen hebben beantwoord, en—eerlijk—ook hebben gelachen om hun flexibiliteit: ‘Nou, wij gaan weer spelen.’ Magnis vindt God terug na een periode van totaal nihilisme dat haar het leven beneemt; het is God die haar dusdanig overrompelt dat zij zijn bestaan niet meer kan wegdenken, er rest haar slechts overgave: “De enige reden om er bang voor te zijn je leven aan God te geven, is als je gelooft dat je zelf een beter plan hebt.”[5]

Dat is precies wat we deze tijd leren. Dat onze tijden en gelegenheden niet in onze hand zijn. Corona heeft de macht van de dood in deze wereld dichtbij gebracht in een cultuur die toch wel aardig de boel onder controle dacht te hebben. En wij moeten als mensen weer leren onder ogen te komen wat op zoveel plekken op de wereld gemeengoed is. Halloween is daarom een mooi bezinningsfeest. Christenen zouden juist vanwege hun verhaal—Jezus die de dood ‘overwon’—‘All Hallows Eve’ kunnen en wellicht moeten vieren!? Niet per se met een opengesneden pompoen en een skelet in de hal, maar meer als een gelegenheid voor memento mori; met elkaar spreken over de dood, over hen die ons ontvallen zijn, over de rouw van het verlies, om dan toch te kunnen vieren met die prikkelende woorden van Paulus: “De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?” (1 Kor. 15:54-55). Want enige satire, zoals Halloween kenmerkt, past ook bij een christelijke omgang met de dood.[6]

[1] Zie https://www.rd.nl/kerk-religie/subscription-required-7.133?aId=1.1708728

[2] Zie bijvoorbeeld https://www.thegospelcoalition.org/article/what-christians-should-know-about-halloween/

[3] Zie uitgebreid Nicholas Rogers, Halloween: From Pagan Ritual to Party Night (Oxford: Oxford University Press, 2002), 11-21. Hij verkent de achtergrond van het Keltische feest Samhain en de praktijk van menselijke offers, maar concludeert dat de precieze invulling daarvan historisch gezien niet helder zijn. De hedendaagse associatie met demonie en satanisme is dan ook een typisch 21ste-eeuwse duiding die met name door Hollywood in de wereld is geholpen, maar die weinig te maken heeft met de historische wortels die mogelijk meer verband houden met de overgang van zomer naar winter.

[4] J. Todd Billings, The End of the Christian Life: How Embracing Our Mortality Frees Us to Truly Live (Grand Rapids: Brazos, 2020).

[5] Esther Maria Magnis, Mintijteer (Franeker: Van Wijnen, [2012], 2016), 197.

[6] Zie hierover mijn “Religious Satire and the Crucified Christ: Upsetting Theological Discourse,” Religion and Theology 27, no. 1-2 (2020): 15-46.

About the Author

Jan Martijn Abrahamse

Jan Martijn Abrahamse

Jan Martijn Abrahamse is docent systematische theologie en ethiek aan de Christelijke Hogeschool Ede en het Baptisten Seminarium Amsterdam.

jan-martijn.abrahamse@baptisten.nl

Snel bellen:

Dienstencentrum: 020-2103023
Seminarium: 020-2103024